Schoolstructuur

 

Een overzicht van onze schoolstructuur. Met een beknopte uitleg over de kenmerken van elke groep.

  • De kleuters

    Ons buitengewoon kleuteronderwijs is er voor kinderen van 2,5 tot 6 jaar van het type 2 en 4. Op advies van de klassenraad en het Centrum voor LeerlingBegeleiding kan een kind er bij uitzondering blijven tot het 8 jaar is.

    Eén van de doelen is de ontwikkeling van de kinderen te maximaliseren door te focussen op wat ze kunnen in plaats van op wat ze niet kunnen. We schakelen ook hier speciale hulpverleners in om hen optimaal te begeleiden en te stimuleren. (logopedisten, kinesisten, ergotherapeuten, verpleger, kinderverzorgsters)

  • Stimuli

  • Oriënteringsgroepen

    De O-groepen; onze jongste kinderen in het lager onderwijs.

    • De klimklas

      De klimklas,  als eerste klas van het oriënteringsniveau lagere school, richt zich tot die leerlingen die nog over onvoldoende basisvaardigheden beschikken.

      De algemene basisvaardigheden die nodig zijn om tot lezen, rekenen en schrijven te komen worden verder geoefend.  Oefeningen gaande van concreet tot meer abstract en op papier worden individueel of in kleine groep aangebracht.  Er wordt ook voldoende aandacht gegeven aan de leervoorwaarden.  In eerste instantie wordt veel aandacht geschonken aan het ontwikkelen van een leerhouding nodig om tot het echte schoolse leren te komen.

      Daar waar nodig kunnen individuele therapieën of groepstherapieën ingeschakeld worden.  Aangezien het om jonge kinderen gaat, is er ook nog heel wat tijd voor spelen en ontspanning.  Uiteraard blijft het verhogen van de zelfredzaamheid ook hier een werkpunt.

      Via een speelse lerende aanpak klimmen deze kinderen naar een volgende klas.

    • De leertuin

      De leertuin is een tweede oriënteringsklas.  Leerlingen met een attest 1,4 of 8 en soms uitzonderlijk een attest 2 bij wie de leervoorwaarden nog onvoldoende aanwezig zijn kunnen in deze klas terecht.  Naast de algemene leervoorwaarden wordt er ook aandacht gegeven aan de specifieke reken – en taalvoorwaarden.  Voor de meeste leerlingen uit deze klas is er ook een eerste aanvang van het echte technische leren. algemene leervoorwaarden die deze leerlingen bijgebracht worden.

      Naast het verder oefenen van de algemene leervoorwaarden wordt er ook veel aandacht gegeven aan het verder ontwikkelen van de rekenvoorwaarden.   Hierbij denken we aan de rekenbegrippen, de conservatiebegrippen, het tellen, het zien en koppelen van hoeveelheden aan cijfers,… Ook de taalvoorwaarden worden verder geoefend.

      Er gaat ook veel aandacht naar het oefenen van ruimtelijke begrippen, belangrijk voor zowel rekenen als taal en naar het oefenen van de schrijfmotoriek, om later tot het echte schrijven te komen.

      Natuurlijk komen in deze klas ook de andere leerdomeinen, zoals werledoriëntatie, lichamelijke opvoeding, muzische vorming,…aan bod.

      Naar het einde van het schooljaar toe kan voor de meeste kinderen uit deze klas aangevangen worden met het aanvankelijk lezen en rekenen en schrijven.

    • Oriënteringsklassen type 1 en type 8

       Aangezien  kinderen met een licht mentale handicap op één of andere wijze te kampen hebben met aanpassingsproblemen is het belangrijk dat er  aandacht wordt besteed aan de ontwikkeling van sociale vaardigheden. Het schools klimaat biedt ruimte voor het werken aan het verwerven van de nodige communicatieve vaardigheden en aangepaste sociale omgangsvormen.

      Wegens de algemene ontwikkelingsvertraging is het noodzakelijk dat de leerling in zijn eigen tempo kan ontwikkelen. Dit betekent dat men in het type 1 een onderwijsaanbod creëert waarbij elke leerling kan groeien in het tempo waar hij zich het best bij voelt.

      Bij het onderwijsaanbod van het type 1 ligt het accent op functionaliteit. Dit betekent dat het werken aan de verschillende vormen van zelfredzaamheid een centrale plaats krijgt. We streven ernaar dat de leerling zichzelf kan behelpen en zich zo zelfstandig mogelijk kan begeven en beredderen in de maatschappij. Daartoe wordt er gewerkt op grond van elementen uit het dagelijks leven van de kinderen. De leerinhouden worden  ingebed  in de concrete ervarings- en belevingswereld van de leerlingen. Op die manier krijgt het onderwijsaanbod  in een type-1 klas een uitdagende en stimulerende functie.

      De eindtermen van het gewoon onderwijs vormen het minimale eindniveau dat  bereikbaar geacht wordt bij normaal vorderende kinderen. Voor bepaalde leerlingen met speciale onderwijsbehoeften, of ernstige leerstoornissen, zal het niet steeds haalbaar zijn om dit eindniveau zonder extra hulp te bereiken. De specifieke aanpak in ons  type 8 geven de mogelijkheid tot remediëren en compenseren om tot dit eindniveau te evolueren.

      In het type 8-onderwijs zijn de eindtermen voor het gewoon basisonderwijs het uitgangspunt.

      Sommige leerlingen zullen enkel via aangepast onderwijs de eindtermen kunnen nastreven en bereiken. Anderen zullen slechts aan een beperkt aantal eindtermen kunnen voldoen.
      De aansluiting bij de eindtermen van het gewoon onderwijs, de nauwe samenwerking met het gewoon onderwijs en het principieel tijdelijk karakter bepalen voor een groot stuk de werking van dit onderwijstype.

      Na de oriënteringsgroepen stromen de kinderen door naar middengroepen, tenslotte naar doorstromingsklassen.

      • De middengroepen
      • Doorstromingsklassen

        Hier zitten de ‘oudste’ kinderen. Naargelang het type worden ze voorbereid op een verdere loopbaan in het secundair. Dit kan een A- of een B-stroom zijn, het Buso of een specifieke opleidingsvorm.

        [shashin type=”photo” id=”1657,1656″ size=”small” columns=”max” order=”user” position=”center”]

  • De leergroepen

    De leergroepen type 2-type 4 begeleiden kinderen met een matige mentale handicap, die (beperkte) mogelijkheden hebben op vlak van het schoolse leren.  Doelstelling van deze klassen is om de leerlingen tot een basisniveau van rekenen, lezen en schrijven te brengen en hun algemene kennis verder uit te breiden.  Weliswaar dient ook in deze klassen nog veel aandacht besteed te worden aan het verhogen van de zelfredzaamheid (zelfstandig zichzelf verzorgen op de verschillende vlakken).  De sociaal-emotionele ontwikkeling en het leren leren zijn hier ook van essentieel belang.  Als deze kinderen zich goed voelen en de nodige motivatie hebben om te leren, komen zij tot een ruime basis van functioneel cognitieve activiteiten.

    Leerlingen die nood hebben aan extra therapeutische begeleiding krijgen die hoofdzakelijk individueel of in kleine groepjes.
    Waar aangewezen kan een leerling uit deze groepen verdere kansen krijgen binnen type 1 onderwijs. Na de lagere school sluiten deze leerlingen meestal aan bij  Buso opleidingsvorm 2.

  • Socialisatieklassen

    Vanaf 1 september 2012 hebben we vier socialisatieklassen waar leerlingen die vaardigheden en attitudes kunnen leren die op een efficiënte wijze bijdragen tot de verbetering van hun sociaal leven en de integratie in de maatschappij.  Het gaat hier om kinderen met een ernstige mentale handicap die vooral op functioneel vlak van zelfredzaamheid nog veel kunnen bijleren.

    Via een aangepast en goed gestructureerd dag- en weekprogramma wordt in eerste instantie heel veel aandacht besteed aan  de sociaal – emotionele ontwikkeling  (werken aan een realistisch en positief zelfbeeld), het leren leren (durven nieuwe dingen leren, leren zelfstandig denken en handelen) en de zelfredzaamheid (voor zichzelf de dagelijkse verzorging kunnen opnemen).  Communicatie – taal, wiskunde, verschillende aspecten van wereldoriëntatie, muzische vorming en lichamelijke opvoeding worden via dagdagelijkse activiteiten, hoekenwerk, uitstappen en in heel beperkte mate via klassikaal werken aan de leerlingen aangeboden, om zo hun functioneringsniveau verder te ontwikkelen.

    Naar het secundair onderwijs toe, schakelen deze leerlingen meestal over naar een opleidingsvorm 1

  • Functionele klassen

    Veelal wordt uitgegaan van concrete situaties, van de ervarings- en belevingswereld van deze leerlingen, zodat ze meer betrokken zijn en de noodzaak van de aangeboden leerstof inzien.
    Vb.: bij het leren betalen, gaan we ook concreet winkelen

    Deze kennis moet hen later in dienst stellen om zelfstandig te functioneren en te handelen. Het leerstofaanbod wordt door de leerkracht bepaald, deels gebaseerd op de ontwikkelingsdoelen en handelingsplanning, deels door de problemen die de leerlingen vertonen. Er wordt nagegaan waar de leerlingen nu, maar vooral later, het meeste baat bij hebben.